Home » Carnaval Raad Staden » Geschiedenis Carnaval

Geschiedenis Carnaval

Een stuk folklore maakt elk jaar opnieuw zijn opwachting, namelijk het carnaval. Sinds jaar en dag wordt er immers op tal van plaatsen carnaval gevierd. Daar het carnaval een levend volksgebruik is, ondergaat het evenwel voortdurend wijzigingen qua vorm, functie en inhoud, afhankelijk van tijd en plaats. Dit brengt met zich mee dat dit feest uitgegroeid is tot een onuitputtelijk en ondoorgrondelijk verschijnsel, waarover de meningen sterk uiteenlopen. Alzo bestaat er nog steeds geen eensgezindheid wat betreft de oorsprong, de naam en functie van het carnaval. Hetzelfde geldt met betrekking tot de stellingname van de kerk ertegenover en het verband tussen carnaval en de vasten van de katholieke kerk doorheen de geschiedenis. Maar ook vragen over de functie van de maskers, de vermommingen, de prins, de betekenis van het getal elf... bieden heel wat stof voor langdurige, levendige en vaak ook heftige discussies. Voldoende redenen voor ons om een bijdrage te plegen omtrent het fenomeen ‘carnaval'. Concreet zullen we het in de aanhef even hebben over het carnavalgebeuren in onze contreien. Daarna worden volgende onderwerpen behandeld : oorsprong van het carnaval; carnavalsvieringen in de eredienst en rituelen ter ere van de goden; herkomst en betekenis van het woord carnaval; het feest der dwazen; de blauwe schuit en ter afronding elf verklaringen voor het getal 11.

CARNAVAL IN ONZE CONTREIEN

"Carnaval is in de verschillende contreien anders geëvolueerd, zeker in de Lage Landen. België heeft, naast Duitsland en Nederland heel wat tradities op dat gebied." aldus Louis Ackou, gewezen stadscarnavalprins van Menen, gewezen Commissaris van de Federatie van Europese Narren (F.E.N.) en eeuwig lid van verdienste van het F.E.N. (in België zijn er maar drie à vier die deze titel dragen). Kortom, een éminence grise in carnavalsmiddens zowel in binnen- en buitenland, en voorwaar een ideale informatiebron. Louis Ackou: "In Zuid-West-Vlaanderen en zelfs in gans Vlaanderen zou Menen de bakermat zijn van het carnaval. De bewijzen zijn in archieven terug te vinden in verschillende geschriften. De gemeenten rond Menen kunnen zo'n geschriften niet voorleggen, een bewijs temeer. De oorspronkelijke stoet in Menen noemde ‘La Procession de St.-Pierre et St.-Paul'. En hoe eigenaardig het ook klinkt -zie de naamgeving- in deze stoet dreven verschillende figuren driftig de spot met de clerus. Een andere bron (cfr. Aalst Carnaval - Feest aan de Dender) vermeldt : "... Menen organiseerde in 1856 een ‘Carnaval de Menin-mi-carême'. Tienen en Maaseik volgden in 1865, Hasselt en Blankenberge in 1885 en Herenthout in 1893. Vermelding oudste carnavalsfeesten : Gent in 1807, Antwerpen in 1813 en Aalst in 1851." Begin de jaren zeventig kwam carnaval in het zuiden van onze provincie pas goed van de grond. Koplopers tot op de dag van heden op het gebied van carnavalsfeesten in het algemeen en carnavalsstoeten in het bijzonder zijn nog steeds : Poperinge, Gullegem en Menen.

OORSPRONG VAN HET CARNAVAL

De oorsprong van het carnaval ligt volgens diverse carnavalogen in de oertijd. Het zou iets te maken hebben met het idee van de vruchtbaarheid en de nieuwe geboorte van mens en natuur. Verwezen wordt daarbij naar een feest waarin het sterven en herrijzen van de natuur in het begin van het jaar in een groot magisch of religieus spel werd nagebootst, in de hoop dat de lente weer terugkomt. Deze soms heftige strijd tussen beide jaargetijden werd vaak symbolisch betwist tussen de aanvoerders van twee groepen gemaskerden die elkaar ontmoetten. Een dergelijk vruchtbaarheidsritueel maakte deel uit van een soort magisch-religieuze cultus van volkeren die vergroeid waren met de natuur. In die optiek werd -wordt nu nog- in heel wat optochten een stropop verbrand. Deze stroman zou enerzijds de winter en anderzijds de onvruchtbaarheid uitbeelden. Anderen zien in deze verbranding dan weer de voorstelling van het einde van de vastenavond, terwijl sommige specialisten het op hun beurt in verband brengen met een offer aan de dodendemonen. Naast de verbranding bestaat er bovendien ook het begraven -meestal in een mesthoop, wat weer wijst op een vruchtbaarheidsrite-, het verdrinken -te Breda gooide men de vastenavondpop in de Mark en te Roermond in de Roer- en zelfs het doodschieten. Ook de dodenverering speelde naast het vruchtbaarheidsaspect een niet te versmaden rol. Via het dragen van maskers, dierenhuiden of andere vermommingen en het zwart maken van het gelaat trachtte men in contact te komen met de geesten van de overledenen en het dodenrijk in het algemeen. De feestvierders hoopten zich alzo met de gestorvenen te vereenzelvigen en in hun gunst te komen. Dit dodenfeest was voor degenen die er het eerst aan deelnamen eveneens een initiatieritueel. Laatstgenoemden vervulden immers de rol van boodschapper naar het hiernamaals toe en konden op die manier hun plaats in de gemeenschap bewerkstelligen. Andere carnavalogen verwerpen evenwel deze stelling en bevestigen daarentegen het verband tussen carnaval en het christendom. Hier luidt de theorie dat het feest niet voor het jaar 1000 ontstond en dat het overduidelijk in het christendom geworteld is. Hun argumentatie steunt enerzijds op de herkomst van de termen carnaval en vastenavond. Daarbij fungeert de uitbundigheid van het carnaval als tegenpool van de onthouding tijdens de vasten, die gedurende eeuwen als vanzelfsprekend aangezien werd. De carnavalsvierder is alzo de tegenhanger van de beperkte, vergankelijke mens, gesymboliseerd door het traditionele askruisje. Dat het carnaval een feest is dat verband houdt met de nakende vasten in de liturgische betekenis van het woord, blijkt verder duidelijk uit de talrijke godsdienstige plechtigheden onder andere eucharistievieringen die in het carnavalsgebeuren geïntegreerd zijn. Anderen zien in het carnaval als middeleeuwse christelijke schepping dan weer een volkse vertolking van het mysteriespel. Zij menen dat zich aan de vooravond van de vasten een ritueel afspeelt waarbij Christus gestorven is omdat Barabbas niet als plaatsvervanger aanvaard werd. Ceremoniële rituelen die uitmondden in het offeren van een koning of een plaatsvervanger zijn in de antieke culturen immers wijd verbreid.

CARNAVALSVIERINGEN IN DE EREDIENST EN RITUELEN TER ERE VAN DE GODEN

Andere sporen van het carnaval treffen we aan in: Griekenland, het Romeinse Rijk en de Germaanse-Keltische beschaving. Bij de Grieken ontmoeten we Dionysus, god van de vruchtbaarheid. De legende vertelt van een geboorte en wedergeboorte. Hij daalt af in de onderwereld, van waar hij terugkeert met de lente. Op 21 maart, begin van de lente, vonden allerlei feesten plaats en trok het wagenschip met Dionysus door de straten van de Griekse steden. Vanuit het schip werden vijgen, noten en versnaperingen naar de menigte geworpen. Een uitvoeriger beschrijving van dit feest zou hier nodig zijn om hierin een voorbode van het huidig carnaval te zien. Toch gaat het hier om een kernelement. De Romeinen kenden hun Saturnaliën of feesten van de zaaigod Saturnus. Deze vonden plaats in de periode tussen 21 december en 21 maart. Tijdens deze zeven dagen durende Saturnalia, een oorspronkelijk nieuwjaarsfeest, was er sprake van een rolomkering. Slaven werden vrijgelaten, oefenden kritiek uit op hun meesters en hielden hen voor de gek. De mensen verkleedden en maskerden zich. Er werd een schijnkoning gekozen. De koning was degene die het geluk of de pech had het stuk van een koek te krijgen waarin een boon zat verstopt. Zie ook ons gebruik bij het driekoningenfeest. De geschiedenis meldt dat Dasius het stuk met de boon trof. Hij weigerde echter de rol van schijnkoning te spelen door zijn christelijke overtuiging. Met deze weigering tekende de ongelukkige meteen zijn doodvonnis. Later werd hij heilig verklaard. Misschien zien wij in hem een heilige Prins Carnaval ? Want de schijnkoningen uit het verleden en de moderne Prinsen en Prinsessen Carnaval zijn "gedoemd" na korte tijd te verdwijnen. Onze eigen verre voorvaderen : de Germanen, Galliërs en Kelten, vierden in het Julifeest de geboorte van de zon, met als centrale figuur de vruchtbaarheidsgodin Nerthus. Het beeld van de god Frey werd op een schip op wielen begeleid door een stoet personen in diervermomming en mannen gekleed in vrouwenkleren.

HERKOMST EN BETEKENIS VAN HET WOORD CARNAVAL

Het is van in het jaar 1091, wanneer de Kerk poogde deze feesten in te schrijven in de liturgie van het kerkelijk jaar, dat wij vaker het woord carnaval zien opduiken: in 965 in Italië : vermelding drie data, waarop de pacht moest worden betaald : Kerstmis, Carnelevare en Pasen; in 1195 in Frankrijk : Carne levarnen (vlees opheffen); in 1258 in Spanje :Carnes tollendos (komt van carni privium en carnis pullos ofte vastenavondhoenderen); in 1268 in Luik-België- woord gevonden in een tekst : Quarnivalle. De verklaring carna-vale ofte letterlijk vertaald ‘vlees vaarwel', is van vrij latere datum. Immers tot laat in de Middeleeuwen aten grote delen van de Europese plattelandsbevolking zelden vlees. De adel liet nauwelijks iets over van de jacht. Een eigen zwijntje houden kwam pas later in gebruik.In Nederland is het woord carnaval voor het eerst gesignaleerd in 1683. In Keulen (Duitsland) duikt het pas in de stadsakten op in 1780. Geleerden menen dat het woord carnaval zou stammen van "Carrus Navalis" = Scheepskar.

FEEST DER DWAZEN

Binnen de kerkelijke liturgie kregen de oude gebruiken het karakter van wat men zou noemen Narrenfeesten (Fêtes des Fous) en Ezelsfeesten (Fêtes des Anes). De centrale rollen werden vervuld door de lagere gewijden zoals subdiakens. Die waren in die tijd nog analfabeet en hadden een beroep als bakker, beenhouwer of herbergier. Zij speelden de rol van zotten bisschop of ezelspaus. Kortom, terug een omgekeerde wereld. Beroemd in dit opzicht is de Missel des Fous, geschreven en uitgegeven door de latere bisschop van Sens (Frankrijk). Tijdens de kerkdienst stond de ezel centraal en bij de gezangen zong het volk "ia, ia, ia".
De blauwe schuit

Wij merken op dat tijdens de historische uiteenzettingen van de oorsprong van carnaval er regelmatig sprake is van een schip op wielen en welbepaald van een blauw vaartuig. Zo is er in 1413 voor het eerst sprake van een "blauwe" schuit. In een gedicht van Jacob van Oestvoren, dat een uitnodiging was aan "alle ghesellen van wilde maniere om te comen in die blauwe scuit ende in der blauwe scute ghilde". Dit gedicht is gedateerd : "Opten rechten vastelavond". Waarom precies blauw? De Egyptische cultuswagens hadden deze kleur. Deze kleur staat ook al eeuwen 'symbool' voor het bedriegelijke en onechte, voor alles wat met zotternij te maken heeft en voor niet al te gedisciplineerd gedrag. Tal van uitdrukkingen en zegswijzen getuigen daar nog van: "Blauwe Maandag". We mogen dus zeggen dat het motief van de scheepswagen zo oud is als de wereld. Maar waarom een schuit die over het land werd getrokken ? Blijft een vraag. Sommigen zeggen dat het schip staat voor de Kerk die dikwijls zo wordt verzinnebeeld. Het schip symbool van de staat, autoriteit. Denk maar aan de uitdrukking : "Schip van Staat". Tijdelijk is de staat zijn krachten kwijt daar het schip op het droge ligt. Alles wordt omgekeerd. Een schip vaart normaal op water, wordt nu over het land getrokken. Een schip moest worden gekozen, omdat het getal der dwazen zo groot was dat in geen ander voertuig ze plaats konden nemen.

ELF VERKLARINGEN VOOR HET GETAL 11

Het getal 11 en de veelvouden (22, 33) spelen een belangrijke rol in het carnavalsgebeuren. Waardoor komt dat? Waaraan ligt dat? Daarover lopen de meningen uiteen, zéér uiteen. Vandaar ter afronding van deze bijdrage onderstaande bloemlezing van meningen. Is het getal ELF belangrijk geworden omdat 11 november, de 11e van de 11e dus, een belangrijke datum was? Het was tenslotte exact 40 dagen voor Kerstmis (40 is een heilig getal) en de feestdag van St.-Martinus, de heilige aan wie ongelooflijk veel kerken zijn gewijd. Of doet het omgekeerde zich voor: had St.-Martinus "geluk" met zo'n belangrijke datum? Bovendien werd op die dag geacht alle werk gereed te zijn en de schuren gevuld; de pacht kon worden betaald. Meestal bleef er nog wat over voor een feestje, zodat 's avonds de herbergen uitpuilden. Met deze datum opende tevens ook de periode waarin huisslacht was geoorloofd en die eindigde met de vasten. Vanuit de 11e van de 11e werd 400 jaar geleden overigens de vastenavonddatum berekend. In het Calendarium Historicum van 1594 gebeurt dit als volgt: vanaf de dinsdag in de op de 11e van de 11e volgende week waarin het nieuwe maan is, duurt het nog 13 weken tot het carnavalsdinsdag is. Komt elf van elfen, van alfen? Dit zijn, naar oudgermaanse opvatting, een soort geesten; mogelijk zelfs de nog niet verloste zielen van overleden voorvaderen, waarmee de generatie van jongvolwassenen - via de initiatierituelen tijdens de lentefeesten - contact probeerde te leggen. Aan het hoofd van dit leger(Heer) van elfen, zou de elfenkoning, de Erlenkönig, de Harlekijn hebben gestaan. Alfen betekent trouwens ook schertsen, iemand beetnemen. In de getallenleer was 11 een vreemd getal; een priemgetal (=ondeelbaar) waar men niet goed raad mee wist. De "belendende" getallen 10 en 12 daarentegen hadden een zeer bijzondere status. De 10 gold als een heilig getal; men denke aan de 10 geboden. En 11 gold daarentegen als een teken van zonde. Schiller schreef nog: "Elf is een boos getal. Elf staat voor zonde, het overschrijdt de 10 geboden." Ook in de bijbel is 11 een negatieve grootheid. Toen het aantal apostelen tot 11 was teruggevallen door het verraad van Judas, streefde men snel weer aanvulling na. De 12 was eveneens een zeer positief geladen getal (o.a. resultaat van de vermenigvuldiging van twee betekenisvolle getallen: 3 maal 4). De overschrijding van 12 (13) geldt als een ongeluksgetal. Voor dobbelaars (spelend met twee dobbelstenen) is 11 je van het! Wie 12 werpt heeft de pot. Maar met 11 sta je er ook goed voor. Het is bekend dat in de vroegere tijd belangrijke instituten als de gilden al besturen hadden die uit 11 personen bestonden. Wie weet kwam dat omdat een belangrijk personage zich graag met 10 wijze raadgevers omgaf. Dit leidt trouwens tot een plezierige symmetrische opstelling. Ofschoon aan bepaalde historische data een oeridee omtrent getallen ten grondslag kan liggen, kan ook het omgekeerde het geval zijn. Zo is bekend dat de oudste Geckengesellschaft werd opgericht door graaf Adolf van Kleve in 1381 en wel op de 12e van de 11e. Alles wijst erop dat het stichtingsfeest van de 11e kennelijk lichtelijk uit de hand is gelopen, zodat de ondertekening een dag te laat gebeurde. Opvallend is ook dat het zegel van de graaf (alle anderen waren ook van adel) de 11e plaats inneemt in de rij. En daarmee zijn we er nog niet. Het devies van dit nobele instituut luidde Ey Lustigh Frölich. Dat kan allemaal geen toeval zijn. De laatste Spielerei met letters lijkt overigens op een andere, die zegt dat elf zou komen van de beginletters van het devies van de Franse Revolutie : Egalité Liberté, Fraternité. Leuk bedacht maar de volgorde is Liberté, Egalité, Fraternité! In Dülken bestaat de fameuze Narrenacademie. Men vertelt een boeiende geschiedenis over de oprichting. Die zou te danken zijn aan een elftal Akenaren, dat aan de dwaasheden van zijn tijd niet wenste mee te doen en om die reden gedwongen was buiten de stadsmuren een verblijfsplaats te zoeken. Die vond men in een bouwsel met 11 ramen. Toen de elf daar ook niet met rust gelaten werden, verplaatsten ze zich -op stokpaarden- naar Dülken, waar ze in de molen aldaar onderdak vonden. In Aken lag tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog een boerderij die de naam 'elf gecken" droeg en al sinds 1584 bekend was. Misschien moeten we het wel dichter bij huis zoeken, in het voormalige hertogdom Brabant. Toen in 1415 hertog Antoine van Bourgondië sneuvelde tijdens de slag bij Azincourt, ontstond er een opvolgingsprobleem omdat zijn oudste zoon nog erg jong was (11 jaar!). Men erkende hem als hertog, maar uit de afgevaardigden van de belangrijkste steden en abdijen werd een "Raad van Elf" gevormd, terwijl alles erop wijst dat deze werd geïnstalleerd omstreeks 11 november. Tenslotte lijkt het de moeite waard aandacht te besteden aan de sterke taalkundige overeenkomst tussen het getal elf en de carnavalsschlachtruf 'Alaaf'. In talen die geen medeklinkers kennen, zou ze zelfs gelijk zijn. Dit is een goede aanleiding om een enkel woord te wijden aan het woord 'Alaaf'. Natuurlijk is het een groet. Ook hiervoor zijn tal van verklaringen bedacht. De minst bekende, nochtans de meest serieuze, gaat terug op allerlei uitdrukkingen in het Middelnederlands, zoals "Al hebbe se mi nit helpe willen, Allaf (all ave) Jupp, die sprong gelik bei.' Kortom, de positieve uitzondering op een negatieve regel. Woorden als af-(ave)God en averechts wijzen in dezelfde richting. Alaaf Kölle betekent in het Jiddisch overigens eerste. Alaaf Keulen betekent dan, er gaat niets boven Keulen, Keulen komt op de eerste plaats. Het verschil tussen de woorden Alaaf, Helau (de groet uit Mainz) en zelfs onze normale Hallo (allo voor de West-Vlamingen) zijn zeer gering. In de eerste plaats wordt de h in tal van talen niet uitgesproken -zie trouwens onze voorafgaande opmerking- en de f en u gaan gemakkelijk genoeg in elkaar over.